Column

Blijft Nederland veredelingsland?


consolidatie in de plantenveredelingNederland veredelingsland. Onder deze titel bracht de Wageningse Plant Sciences Group meer dan 10 jaar geleden een discussienotitie in omloop, waarmee zij het gesprek met Nederlandse veredelingsbedrijven aanging over de toekomst van het publieke veredelingsonderzoek. De notitie ging uit van het feit dat Nederland veel wereldwijd toonaangevende plantenveredelingsbedrijven herbergt, met name in de groentezaden, aardappelen en siergewassen, en was vooral een oproep om gezamenlijk een publieke kennisbasis in stand te houden. Het document was één van de impulsen die uiteindelijk hebben geleid tot de oprichting van Technologisch Topinstituut Groene Genetica.

In deze column wil ik eens stilstaan bij de vraag of, en zo ja hoe lang, we nog kunnen spreken van ‘Nederland veredelingsland’. Een flink deel van de bedrijven waarmee de Plant Sciences Group destijds gesprekken voerde is inmiddels in buitenlandse handen gekomen. Zo werden De Ruiter Seeds en Seminis ingelijfd door Monsanto, en werd Nunhems meer geïntegreerd in Bayer. Met de onlangs aangekondigde overname van Monsanto door Bayer ontstaat bovendien met afstand het grootste groentezaadbedrijf ter wereld. Syngenta wordt, als er geen obstakels opdoemen, overgenomen door ChemChina, en in de sierteelt is DümmenOrange in korte tijd via acquisities het grootste sierteeltveredelingsbedrijf ter wereld geworden. Bij al deze overnames komt de vraag op: blijft Nederland innovatiehub voor de plantenveredeling of verschuift het zwaartepunt langzaam naar andere gebieden?

blijft Nederland innovatiehub voor de plantenveredeling of verschuift het zwaartepunt langzaam naar andere gebieden?

De consolidaties kúnnen een positieve invloed hebben op het R&D-landschap in Nederland. Er ontstaan immers bedrijven met een ongekende onderzoekscapaciteit. Zeker in de sierteelt was er nog niet eerder een bedrijf met de omvang van een gerenommeerd groentezaadbedrijf. Een dergelijk bedrijf kan – mits het erin slaagt om de verschillende veredelingsprogramma’s te integreren en synergie te creëren tussen gewassen – serieuze investeringen doen in bijvoorbeeld resistentieveredeling of merkerontwikkeling.

Tegelijkertijd worden sommige bedrijven zo groot dat ze misschien geen behoefte meer hebben aan externe R&D-samenwerking. Daarbij zal veel afhangen van de bedrijfscultuur die in de fusiebedrijven dominant wordt. Als de bedrijfscultuur wél open staat voor extern onderzoek, is de volgende vraag in hoeverre ze daarvoor nog naar Nederlandse kennisinstellingen zullen kijken. Met een hoofdkantoor en R&D-centra elders in de wereld wordt dat steeds minder vanzelfsprekend. Hiervoor zijn twee hoofdingrediënten nodig: Nederlandse kennisinstellingen die aantrekkelijk zijn voor bedrijven, en fysieke nabijheid van bedrijven. Om met het laatste te beginnen: ik acht het onwaarschijnlijk dat de huidige consolidatieronde an sich leidt tot sluiting van belangrijke R&D-vestigingen in Nederland. Het andere ingrediënt, aantrekkelijke kennisinstellingen, is hier ruim voorhanden doordat Nederlandse kennisinstellingen sterk zijn in het combineren van baanbrekend fundamenteel onderzoek met meer toegepast onderzoek. Mits er voldoende financieringsmogelijkheden blijven voor fundamenteel onderzoek voorzie ik hier geen problemen.

Nederlandse kennisinstellingen zijn sterk in het combineren van baanbrekend fundamenteel onderzoek met meer toegepast onderzoek

Wat ik als een veel groter risico zie is hoe de Europese wetgeving gaat oordelen over nieuwe veredelingstechnieken, zoals CRISPR/Cas9. Op dit moment kunnen producten die met nieuwe veredelingstechnieken zijn verkregen worden vermarkt in bijvoorbeeld de VS en Israël, maar niet in Europa. De Europese Commissie is er nog niet over uit of deze producten wel of niet als GMO’s gezien moeten worden. Als deze situatie blijft voortduren, of als de Europese Commissie besluit dat het GMO’s zijn, zet dat de Europese zaadindustrie op enorme achterstand. En dat zou op zijn beurt wél een reden kunnen zijn voor grote internationale bedrijven om hun activiteiten in Europa te heroverwegen. De grootste bedreiging voor de Nederlandse planten-‘innovatiehub’ komt dus niet uit St Louis, Leverkusen of Beijing, maar uit Brussel.

In zekere zin is dat goed nieuws. Anders dan op de besluitvorming in St Louis en Beijing hebben we in Brussel wél invloed. Deze invloed kunt u uitoefenen bij de komende Kamerverkiezingen, door eens de trein naar Brussel te pakken, of zelfs door op verjaardagsfeestjes te vertellen over de verborgen schatten van de Nederlandse zaadindustrie.

Blijft Nederland veredelingsland? Het antwoord ligt in onze eigen handen.

Clemens Stolk